Arboregeling Artikel 8. 2 Permanente signalering

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 

Wanneer putten of sleuven dieper zijn dan 2,5 meter gelden de regels bij werken op hoogte:

  • Er moet op 4m afstand van de rand worden gewerkt en de 4m grens moet worden gemarkeerd
  • Materiaal moet 4m van de rand worden geplaatst.

of

  • Er kan tot op 2 meter van de rand gewerkt worden indien er een fysieke afzetting is geplaatst op 2 meter van de dakrand, bijvoorbeeld door paaltjes met een ketting of linten.
  • Materiaal moet 4m van de rand worden geplaatst.

of

  • Er moet randbeveiliging/ een leuning worden geplaatst met een hoogte van 1 meter en halverwege een tussenleuning

 

Zorg voor goede verlichting van de arbeidsplaats.

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 
  • Zorg voor scheiding van werkzaamheden, hou de graafwerkzaamheden gescheiden van de overige werkzaamheden door duidelijke afspraken en coördinatie van werkzaamheden door de hoofdaannemer. 

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 
  • Draag Veiligheidsschoenen (type S3)

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • De gevaren van vallen in putten en sleuven.
  • Beheersmaatregelen om vallen in putten en sleuven te voorkomen.

 

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Niveau 1 Bronmaatregelen: 
  • Voorkom werken op hoogte > 2,5m of in de buurt van vloeropeningen.

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 

Wanneer gewerkt wordt in de buurt van vloeropeningen, gelden de regels bij werken op hoogte:

  • Er moet op 4m afstand van de vloeropening worden gewerkt en de 4m grens moet worden gemarkeerd.
  • Materiaal moet 4m van de vloeropening worden geplaatst.

of

  • Er kan tot op 2 meter van de vloeropening gewerkt worden indien er een fysieke afzetting is geplaatst op 2 meter van de vloeropening, bijvoorbeeld door paaltjes met een ketting of linten.
  • Materiaal moet 4m van de vloeropening worden geplaatst.

of

  • Er moet randbeveiliging/ een leuning worden geplaatst met een hoogte van 1 meter en halverwege een tussenleuning, inclusief schoprand aan de onderzijde als er kans is op vallen van materiaal. (bij een hoogte van meer dan 13 meter heeft de leuning een hoogte van 1,2 meter.)

of

  • De vloeropening moet dichtgelegd worden met draagkrachtig materiaal, met voldoende overlap op de vloer en gezekerd tegen wegschuiven.

 

Indien bovenstaande niet mogelijk is, kunnen als alternatief voldoende grote en sterke vangnetten worden aangebracht.

 

Zorg voor voldoende verlichting van de werkplek. 

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 
  • Controleer bij het verlaten van de werkplek of vloeropeningen veilig worden achtergelaten.
  • Niet onnodig werkzaamheden uit laten voeren in de buurt van vloeropeningen.
  • Zorg dat de Bedrijfshulpverlening op de projectlocatie georganiseerd is.

 

 

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 
  • Controleer voor aanvang van de werkzaamheden of de beveiliging in goede staat verkeert.
  • Haal geen delen van de beveiliging weg (ook niet tijdelijk).

 

Wanneer bovenstaande maatregelen niet mogelijk zijn maar er wel in de buurt van de dakrand gewerkt moet worden, moet er gebruik gemaakt worden van persoonlijke valbeveiliging. Bestaande uit een harnasgordel en een vanglijn, die bevestigd wordt aan een voldoende sterk ankerpunt. Bij het gebruik van een harnasgordel dient tevens een Suspension Trauma Releef Strap gebruikt te worden.

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • De gevaren van het werken in de buurt van vloeropeningen.
  • Beheersmaatregelen om vallen bij het werken in de buurt van vloeropeningen te voorkomen.
  • Het veilig gebruik van harnasgordel, vanglijn en Suspension Trauma Releef Strap.

 

 

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Niveau 1 Bronmaatregelen: 
  • Voorkom werken op hoogte > 2,5m of in de buurt van de dakrand.
  • Bij werkzaamheden waar valgevaar bestaat heeft het de voorkeur om de werkzaamheden uit te voeren door toepassing van een veilige steiger, bordes of werkvloer. 

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 

Wanneer op daken gewerkt wordt hoger dan 2,5 meter, gelden de regels bij werken op hoogte: 

  • Er moet op 4m afstand van de rand worden gewerkt en de 4m grens moet worden gemarkeerd
  • Materiaal moet 4m van de rand worden geplaatst.

of

  • Er kan tot op 2 meter van de dakrand gewerkt worden indien er een fysieke afzetting is geplaatst op 2 meter van de dakrand, bijvoorbeeld door paaltjes met een ketting of linten.
  • Materiaal moet 4m van de rand worden geplaatst.

of

  • Er moet randbeveiliging/ een leuning worden geplaatst met een hoogte van 1 meter en halverwege een tussenleuning, inclusief schoprand aan de onderzijde als er kans is op vallen van materiaal. (bij een hoogte van meer dan 13 meter heeft de leuning een hoogte van 1,2 meter.) 

 

Indien bovenstaande niet mogelijk is, kunnen als alternatief voldoende grote en sterke vangnetten worden aangebracht. 

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 
  • Wanneer gewerkt wordt op daken door gebruik van harnasgordels zorg dan dat er een tweede persoon aanwezig is om hulp in te roepen en te beiden in geval van nood.
  • Zorg dat de Bedrijfshulpverlening op de projectlocatie georganiseerd is.

 

Bij windkracht 6:

  • Een maximale werkhoogte van 10 meter.

 

Bij windkracht 7 (krachtige wind) of hoger:

  • Mag er gewerkt worden tot op een maximale werkhoogte van 3 meter.

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 
  • Controleer voor aanvang van de werkzaamheden of de beveiliging in goede staat verkeert.
  • Haal geen delen van de beveiliging weg (ook niet tijdelijk)

 

  • Wanneer bovenstaande maatregelen niet mogelijk zijn maar er wel in de buurt van de dakrand gewerkt moet worden, moet er gebruik gemaakt worden van persoonlijke valbeveiliging. Bestaande uit een harnasgordel en een vanglijn, die bevestigd wordt aan een voldoende sterk ankerpunt. Bij het gebruik van een harnasgordel dient tevens een Suspension Trauma Releef Strap gebruikt te worden.

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • De gevaren van het werken op daken.
  • Beheersmaatregelen om vallen bij het werken op daken te voorkomen.
  • Het veilig gebruik van harnasgordel, vanglijn en Suspension Trauma Releef Strap.

 

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Niveau 1 Bronmaatregelen: 
  • Maak op en afstappen niet te hoog.
  • Zorg voor een vaste stabiele ondergrond om over te lopen. 

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 
  • Breng veilige looproutes aan.
  • Wanneer de op- afstap te hoog is, breng een stabiele tussentree aan.

Zet hogere hoogteverschillen die niet bedoeld zijn als op- en afstappen af:

  • Op 2 meter van de rand een fysieke afzetting, bijvoorbeeld door paaltjes met een ketting of linten. 

of

  • Er moet randbeveiliging/ een leuning van tenminste 1 meter hoogworden geplaatst als er kans is op valgevaar. 

 

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 
  • (hoge) Veiligheidsschoenen (S3)

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • Gevaar van verstappen.
  • Beheersmaatregelen om verstappen te voorkomen.

 

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Niveau 1 Bronmaatregelen: 
  • Voorkom dat vloeren nat worden.

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 
  • Breng veilige looproutes aan.
  • Zorg voor stroeve vloeren, voorzie deze zo mogelijk van een antislip laag / coating. 

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 
  • Goed housekeeping: schoon en droog houden van terrein en vloeren.
  • Stem werkzaamheden af met de opdrachtgever, zodat niet onnodig op gladde vloeren gewerkt behoeft te worden.

 

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 
  • Voorkom lopen over gladde oppervlakken.
  • Niet rennen op gladde oppervlakken.
  • Veiligheidsschoenen met antislipzool (S3).

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • De gevaren van uitglijden.
  • Beheersmaatregelen om uitglijden te voorkomen.

 

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Niveau 1 Bronmaatregelen: 
  • Voorkom dat constructiedelen of leidingen op een hoogte van minder dan 2 meter hangen.

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 
  • Beng stootbescherming aan op laag hangende delen.
  • Zorg voor voldoende verlichting van de arbeidsplaats.

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 

Breng signalering aan op plaatsen waar kans bestaat op stoten van het hoofd bijvoorbeeld zwart/geel of rood/wit. 

 

Bij werken op hoogte met hoogwerkers, (inclusief buisrailwagens en monorailwagens):

  • De bediener is verantwoordelijk om er voor te zorgen dat bij het omhoog gaan of verplaatsen, er niemand het hoofd kan stoten tegen delen van de constructie of installatie.
  • Laat je niet afleiden door collega’s wanneer je de hoogwerker bediend. Mocht je tussendoor wat gevraagd worden, stop dan de beweging van de hoogwerker.
  • Laat geen personen onnodig meerijden op de hoogwerker.
  • Bij het verplaatsen van de hoogwerker, breng deze terug in de neutraalstand en stel zeker dat er voldoende ruimte is om obstakels veilig te kunnen passeren.

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 

Maak gebruik van:

  • Helm of stootcap
     
Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • De gevaren van stoten van het hoofd.
  • Beheersmaatregelen om stoten van het hoofd te voorkomen en gevolgen daarvan te beperken.

 

Wet- en regelgeving: 

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Niveau 1 Bronmaatregelen: 
  • Voorkom randen,  drempels en ongelijke oppervlakken.
  • Zorg voor "good housekeeping".
  • Leg geen kabels en leidingen over looppaden.
  • Egaliseer regelmatig de looppaden op het werkterrein, met name nadat deze zijn beschadigd door graven en zware voertuigen.

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 
  • Breng veilige looproutes aan.
  • Leg drempels over kabels en leidingen die het looppad kruisen.
  • Hang kabels op hoogte (en wel zo hoog dat deze niet geraakt kunnen worden door (transport) voertuigen, hoogwerkers en dergelijke)

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 

Breng signalering aan op drempels waar kans bestaat op struikelgevaar bijvoorbeeld zwart/geel of rood/wit. 

 

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 
  • Veiligheidsschoenen (S3)

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • Struikelgevaar.
  • Beheersmaatregelen om struikelgevaar te voorkomen.

 

Abonneren op RSS - Arboregeling Artikel 8. 2 Permanente signalering