Arbobesluit Artikel 3.16 Voorkomen valgevaar

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 
  • De maximale scheefstand van een rolsteiger is 1% (1 centimeter per meter hoogte).
  • Een rolsteiger wordt opgesteld op een oppervlak van voldoende sterkte.
  • Stabiliteitsbalken van een rolsteiger worden beveiligd tegen wegglijden.
  • De wielen van een rolsteiger worden geblokkeerd tegen wegrijden.
  • Vloeren zijn zodanig gemonteerd dat deze bij normaal gebruik niet kunnen bewegen. 
  • Dichtgelegde vloer. 
  • Werkvloeren op steigers zijn voorzien van een leuning met een hoogte van 1 meter en halverwege een tussenleuning, inclusief schoprand aan de onderzijde als er kans is op vallen van materiaal. 
  • Steigermateriaal jaarlijks keuren. 

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 
  • Een platform mag pas worden betreden nadat en leuning is aangebracht.
  • De opbouwinstructie is bij de rolsteiger aanwezig.

 

Weersomstandigheden waarbij de rolsteiger niet meer gebruikt mag worden:

  • Vanaf windkracht 6.
  • Bij onweer.
  • Wanneer de steiger glad kan zijn als gevolg van sneeuw, hagel of ijzel.

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 
  • Gebruik geen beschadigde delen bij de bouw van een rolsteiger.
  • Rolsteigers mogen alleen langs de binnenzijde beklommen worden.
  • Draag Veiligheidsschoenen (S3)

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • De gevaren van het gebruik van rolsteigers.
  • Beheersmaatregelen om valgevaar bij rolsteigers te voorkomen.
  • Medewerkers die rolsteigers gebruiken ontvangen een instructie hoe deze op te bouwen en te gebruiken.

 

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Niveau 1 Bronmaatregelen: 
  • Laat voor een niet standaard steigerconfiguratie een sterkte- en stabiliteitsberekening uitvoeren. 
  • Laat door een bevoegde persoon een montage-, demontage- en ombouwschema opstellen. 

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 
  • Een steiger wordt opgesteld op een oppervlak van voldoende sterkte.
  • Ondersteuningen van een steiger worden beveiligd tegen wegglijden. 
  • Vloeren zijn zodanig gemonteerd dat deze bij normaal gebruik niet kunnen bewegen. 
  • Dichtgelegde vloer. 
  • Werkvloeren op steigers zijn voorzien van een leuning met een hoogte van 1 meter en halverwege een tussenleuning, inclusief schoprand aan de onderzijde als er kans is op vallen van materiaal. 
  • De maximale afstand van steigervloer tot object is maximaal 15 centimeter. Ten behoeve van tijdelijke werkzaamheden mag deze afstand tijdens de uitvoering van die werkzaamheden maximaal 30 centimeter zijn, bij het verlaten van de werkplek moet deze ruimte weer verkleint worden tot maximaal 15 centimeter (of dient een leuning geplaatst te worden).
  • Steigermateriaal wordt jaarlijks of voor verwerking in de steiger gekeurd. 

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 

Steigers worden alleen opgebouwd, veranderd of afgebroken door een bevoegde persoon. 

 

Er wordt gebruik gemaakt van een steigerkaart:

  • Waarop de maximale belasting is aangegeven.
  • Delen van de steiger die niet vrijgegeven zijn voor gebruik worden als zodanig gemarkeerd of afgebakend.
  • Steiger voor gebruik vrijgeven.

 

Weersomstandigheden waarbij de steiger niet meer gebruikt mag worden:

  • Vanaf windkracht 8.
  • Bij onweer.
  • Wanneer de steiger glad kan zijn als gevolg van sneeuw, hagel of ijzel.

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 
  • Bij twijfel over de veiligheid van de steiger, meld dit aan de uitvoerder.
  • Pas nooit zelf de steiger aan.
  • Draag Veiligheidsschoenen (S3)

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • De gevaren van het werken op steigers.
  • Beheersmaatregelen om vallen van steigers te voorkomen.

 

Stabiliteits- en sterkte berekeningen worden uitgevoerd door een daartoe opgeleide medewerker.

Voor het opbouwen, afbreken en aanpassen van steigers hebben werknemers een specifieke opleiding ontvangen gericht op:

  • Het begrijpen van het montage-, demontage- en ombouwschema van de betreffende steiger.
  • Het veilig monteren, demonteren of ombouwen van de betreffende steiger.
  • Maatregelen ter preventie van het risico dat personen of voorwerpen vallen.
  • Veiligheidsmaatregelen bij veranderende weersomstandigheden die afbreuk kunnen doen aan de veiligheid van de betrokken steigers.
  • De toelaatbare belasting.
  • Ieder ander risico dat de montage-, demontage- of ombouwwerkzaamheden met zich mee kunnen brengen.

 

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 

Wanneer putten of sleuven dieper zijn dan 2,5 meter gelden de regels bij werken op hoogte:

  • Er moet op 4m afstand van de rand worden gewerkt en de 4m grens moet worden gemarkeerd
  • Materiaal moet 4m van de rand worden geplaatst.

of

  • Er kan tot op 2 meter van de rand gewerkt worden indien er een fysieke afzetting is geplaatst op 2 meter van de dakrand, bijvoorbeeld door paaltjes met een ketting of linten.
  • Materiaal moet 4m van de rand worden geplaatst.

of

  • Er moet randbeveiliging/ een leuning worden geplaatst met een hoogte van 1 meter en halverwege een tussenleuning

 

Zorg voor goede verlichting van de arbeidsplaats.

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 
  • Zorg voor scheiding van werkzaamheden, hou de graafwerkzaamheden gescheiden van de overige werkzaamheden door duidelijke afspraken en coördinatie van werkzaamheden door de hoofdaannemer. 

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 
  • Draag Veiligheidsschoenen (type S3)

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • De gevaren van vallen in putten en sleuven.
  • Beheersmaatregelen om vallen in putten en sleuven te voorkomen.

 

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Niveau 1 Bronmaatregelen: 
  • Voorkom werken op hoogte > 2,5m of in de buurt van vloeropeningen.

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 

Wanneer gewerkt wordt in de buurt van vloeropeningen, gelden de regels bij werken op hoogte:

  • Er moet op 4m afstand van de vloeropening worden gewerkt en de 4m grens moet worden gemarkeerd.
  • Materiaal moet 4m van de vloeropening worden geplaatst.

of

  • Er kan tot op 2 meter van de vloeropening gewerkt worden indien er een fysieke afzetting is geplaatst op 2 meter van de vloeropening, bijvoorbeeld door paaltjes met een ketting of linten.
  • Materiaal moet 4m van de vloeropening worden geplaatst.

of

  • Er moet randbeveiliging/ een leuning worden geplaatst met een hoogte van 1 meter en halverwege een tussenleuning, inclusief schoprand aan de onderzijde als er kans is op vallen van materiaal. (bij een hoogte van meer dan 13 meter heeft de leuning een hoogte van 1,2 meter.)

of

  • De vloeropening moet dichtgelegd worden met draagkrachtig materiaal, met voldoende overlap op de vloer en gezekerd tegen wegschuiven.

 

Indien bovenstaande niet mogelijk is, kunnen als alternatief voldoende grote en sterke vangnetten worden aangebracht.

 

Zorg voor voldoende verlichting van de werkplek. 

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 
  • Controleer bij het verlaten van de werkplek of vloeropeningen veilig worden achtergelaten.
  • Niet onnodig werkzaamheden uit laten voeren in de buurt van vloeropeningen.
  • Zorg dat de Bedrijfshulpverlening op de projectlocatie georganiseerd is.

 

 

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 
  • Controleer voor aanvang van de werkzaamheden of de beveiliging in goede staat verkeert.
  • Haal geen delen van de beveiliging weg (ook niet tijdelijk).

 

Wanneer bovenstaande maatregelen niet mogelijk zijn maar er wel in de buurt van de dakrand gewerkt moet worden, moet er gebruik gemaakt worden van persoonlijke valbeveiliging. Bestaande uit een harnasgordel en een vanglijn, die bevestigd wordt aan een voldoende sterk ankerpunt. Bij het gebruik van een harnasgordel dient tevens een Suspension Trauma Releef Strap gebruikt te worden.

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • De gevaren van het werken in de buurt van vloeropeningen.
  • Beheersmaatregelen om vallen bij het werken in de buurt van vloeropeningen te voorkomen.
  • Het veilig gebruik van harnasgordel, vanglijn en Suspension Trauma Releef Strap.

 

 

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Niveau 1 Bronmaatregelen: 
  • Voorkom werken op hoogte > 2,5m of in de buurt van de dakrand.
  • Bij werkzaamheden waar valgevaar bestaat heeft het de voorkeur om de werkzaamheden uit te voeren door toepassing van een veilige steiger, bordes of werkvloer. 

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 

Wanneer op daken gewerkt wordt hoger dan 2,5 meter, gelden de regels bij werken op hoogte: 

  • Er moet op 4m afstand van de rand worden gewerkt en de 4m grens moet worden gemarkeerd
  • Materiaal moet 4m van de rand worden geplaatst.

of

  • Er kan tot op 2 meter van de dakrand gewerkt worden indien er een fysieke afzetting is geplaatst op 2 meter van de dakrand, bijvoorbeeld door paaltjes met een ketting of linten.
  • Materiaal moet 4m van de rand worden geplaatst.

of

  • Er moet randbeveiliging/ een leuning worden geplaatst met een hoogte van 1 meter en halverwege een tussenleuning, inclusief schoprand aan de onderzijde als er kans is op vallen van materiaal. (bij een hoogte van meer dan 13 meter heeft de leuning een hoogte van 1,2 meter.) 

 

Indien bovenstaande niet mogelijk is, kunnen als alternatief voldoende grote en sterke vangnetten worden aangebracht. 

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 
  • Wanneer gewerkt wordt op daken door gebruik van harnasgordels zorg dan dat er een tweede persoon aanwezig is om hulp in te roepen en te beiden in geval van nood.
  • Zorg dat de Bedrijfshulpverlening op de projectlocatie georganiseerd is.

 

Bij windkracht 6:

  • Een maximale werkhoogte van 10 meter.

 

Bij windkracht 7 (krachtige wind) of hoger:

  • Mag er gewerkt worden tot op een maximale werkhoogte van 3 meter.

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 
  • Controleer voor aanvang van de werkzaamheden of de beveiliging in goede staat verkeert.
  • Haal geen delen van de beveiliging weg (ook niet tijdelijk)

 

  • Wanneer bovenstaande maatregelen niet mogelijk zijn maar er wel in de buurt van de dakrand gewerkt moet worden, moet er gebruik gemaakt worden van persoonlijke valbeveiliging. Bestaande uit een harnasgordel en een vanglijn, die bevestigd wordt aan een voldoende sterk ankerpunt. Bij het gebruik van een harnasgordel dient tevens een Suspension Trauma Releef Strap gebruikt te worden.

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • De gevaren van het werken op daken.
  • Beheersmaatregelen om vallen bij het werken op daken te voorkomen.
  • Het veilig gebruik van harnasgordel, vanglijn en Suspension Trauma Releef Strap.

 

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Niveau 1 Bronmaatregelen: 

Bij windkracht 6:

  • Werk buiten op aluminium rolsteigers dient gestaakt te worden.

 

Bij windkracht 7 (krachtige wind) of hoger:

  • Hijswerk met mobiele kranen stoppen.
  • Zeilen, lastenten en dergelijke verwijderd worden.
  • Heiwerk van prefab betonpalen stoppen.
  • Verplaatsbare hangstellingen neergelaten worden.
  • Werk op tankdaken stoppen
  • Werk buiten, boven de 40 meter stoppen.

 

Bij windkracht 9 en hoger:

  • Moet al het werk op stellingen gestaakt worden. Na de storm moet de stelling gecontroleerd worden.
  • Welke afspraken en maatregelen kun je verder nemen?
  • Maak afspraken over het staken van werkzaamheden bij te harde wind.
  • Neem tijdig maatregelen tegen het op- en wegwaaien van materialen.
  • Pas het werkrooster aan op het klimaat/de weersomstandigheden.

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 
  • Gebruik bij twijfel een windmeter om de windkracht vast te stellen.
  • Zorg dat met name isolatiematerialen geborgd worden tegen wegwaaien bijvoorbeeld door middel van en net.

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 
  • Online weersvoorspelling controleren.

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 
  • Stop met werken als de windkracht te hoog wordt en stel de materialen veilig.

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • De gevaren van windsnelheden groter dan windkracht 6..
  • Beheersmaatregelen om letsel te voorkomen.

 

Abonneren op RSS - Arbobesluit Artikel 3.16 Voorkomen valgevaar