Arbobesluit Artikel 7.17b Uitrusting mobiele arbeidsmiddelen met eigen aandrijving

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Niveau 1 Bronmaatregelen: 
  • Zorg voor een stabiele stevige vlakke ondergrond bij het gebruik van een hoogwerker.

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 
  • Stel de hoogwerker stabiel op.
  • Gebruik een hoogwerker voorzien van rupsbanden bij werkzaamheden op de volle grond.
  • De werkplek op de hoogwerker moet voorzien zijn van schoprand, leuning op 110 cm en tussenleuning op 50 cm.
  • De toegang tot het hoogwerkerplatform mag alleen geopend zijn voor het veilig in en uit laten stappen van personen, zodra de hoogwerker in beweging komt moet deze toegang gesloten zijn. 
  • Laat de hoogwerker jaarlijks keuren. 

 

Werkplatform / beglazingsplatform extra:

  • Bij een werkplatform / beglazingsplatform, kan het hekwerk aan de zijde van de kasconstructie worden geopend ten behoeve van de montagewerkzaamheden, de constructie dient hierbij als randbeveiliging. De afstand tussen hoogwerkervloer en constructie mag in dat geval niet meer dan 15 cm zijn. (zelfde afstand als tussen steigervloer en bouwwerk in de Richtlijn steigers)

 

Monorailwagen extra:

  • Zorg dat de monorailwagen veilig kan worden betreden middels een trap of ladder.

 

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 
  • Stem de werkzaamheden op locatie op elkaar af, zorg voor scheiding van werkzaamheden op hoogte en overige werkzaamheden. 

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 
  • Controleer voor gebruik of de hoogwerker in goede staat verkeert.
  • Controleer of de ondergrond vlak en stevig genoeg is.
  • Blijf met de voeten op de vloer van de hoogwerker, ga dus niet op het hek of de leuning staan en gebruik geen trapjes of bankjes.

 

Buisrailwagen extra:

  • Controleer of de buisrailwagen goedgekeurd is voor het uitvoeren van service en onderhoudswerkzaamheden aan de kas of kasinstalaltie (moet in de handleiding staan). Een standaard buisrailwagen is namelijk uitsluitend bedoeld voor het onderhouden en verzorgen van het gewas.
  • Controleer of de buizen waarover de buisrailwagen rijdt vlak en stabiel liggen.
  • De buisrailwagen moet worden afgestempeld op een voldoende stevige ondergrond voordat deze omhoog mag.

 

Harnasgordel en vanglijn

Het gebruik van persoonlijke valbeveiliging (bestaande uit een harnasgordel en een vanglijn) is in een hoogwerker niet verplicht. Dit omdat het leuningwerk van de werkbak minimaal 110 cm hoog is. Uitzonderingen zijn:

  • Wanneer gewerkt wordt met een knikarm- of telescoop hoogwerker, dan wordt persoonlijke valbeveiliging dringend geadviseerd.
  • Wanneer de werkzaamheden vereisen dat met het bovenlichaam buiten de bak wordt gehangen, dan is het dragen van persoonlijke valbeveiliging verplicht.

De veiligheidslijn moet kort zijn zodat het werk wel uitgevoerd kan worden, maar de werknemer niet uit de bak kan vallen. De veiligheidslijn wordt bevestigd aan het aanhaakpunt dat daarvoor in de hoogwerker aanwezig is.

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • De gevaren van vallen bij het werken met hoogwerkers.
  • Beheersmaatregelen om vallen uit en met hoogwerkers te voorkomen.
  • Werknemers moeten geïnstrueerd zijn mbt het werken met een hoogwerker, deze instructie verschilt per type.

 

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Niveau 1 Bronmaatregelen: 
  • Werk nooit aan of in de buurt van niet afgeschermde onder spanning staande delen.

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 
  • Installatie uitschakelen/ spanningsvrij maken volgens LoToTo procedure.
  • Afschermen van onder spanning staande delen.
  • Waar nodig zorgen voor aarding.
  • Zorg voor geïsoleerde ondergrond.
  • Werk met geïsoleerd gereedschap.
  • Gebruik van mespatroontrekker.
  • Laat de installatie periodiek keuren.

 

Wanneer er werkzaamheden, zoals onderhoud, moeten worden uitgevoerd aan onderspanning staande installaties (zoals machines) moet dit op een veilige wijze gebeuren, namelijk volgende de LoToTo methode. Dit betekent een installatie spanningsloos maken en veiligstellen voordat er aan de installatie wordt gewerkt. Dit gebeurt door de volgende stappen te nemen:

1.         Lock out:

  • Bepaal de energiebronnen van de installatie en hoe deze energiebronnen moeten worden uitgeschakeld.
  • Zorg dat alle werkzaamheden aan de installatie worden gestaakt en informeer werknemers hier over.
  • Stop de installatie volgens de normale stop procedure.
  • Schakel alle energiebronnen van de installatie uit d.m.v. energiecontrolepunten.
  • Maak de installatie vrij van rest/opgeslagen energie.

2.         Tag out:

  • Vergrendel alle energiecontrolepunten met een slot en markeer deze met een label.
  • Voorzie het label van het nummer van de installatie, de datum dat deze uitgeschakeld is en de naam van de betrokkenen/verantwoordelijke.

3.         Try out:

  • Voer een test uit om te zien of de installatie daadwerkelijk uitgeschakeld is en niet ingeschakeld kan worden. Doe dit bijvoorbeeld door te meten met een spanningszoeker.

 

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 

Er mag alleen aan de elektrische installatie worden gewerkt als er schriftelijke toestemming (aanwijzing) van de installatie verantwoordelijke is afgegeven  (VOP: Voldoende Onderricht Persoon of VP: Vakbekwaam Persoon) 

  • Beschikbaar hebben van actuele schema’s van de elektrische installatie.
  • Aanwijzen van een installatie- en werkverantwoordelijke (IV, WV).
  • Bevoegd verklaren van uitvoerende werknemers (VOP, VP).
  • Werken volgens vastgestelde procedures (BEI-BHS).
  • Toezicht houden op het veilig werken.

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 
  • Bij schakelen en testen van onder spanning staande delen, dragen van de nodige PBM’s:
  • Gelaatsscherm
  • Brandvertragende kleding
  • Veiligheidsschoenen
  • E-isolerende handschoenen

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • De gevaren van het werken in de buurt van hoogspanning
  • Beheersmaatregelen om veilig te kunnen werken in de buurt van hoogspanning.

 

Zorg voor opleiding en instructie conform NEN 3840 van:

  • Installatieverantwoordelijke (IV)
  • Werkverantwoordelijke (WV)
  • Vakbekwaam persoon (VP)
  • Voldoende onderricht persoon (VOP)

 

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Niveau 1 Bronmaatregelen: 
  • Werk nooit aan of in de buurt van niet afgeschermde onder spanning staande delen.

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 
  • Installatie uitschakelen/ spanningsvrij maken volgens LoToTo procedure.
  • Afschermen van onder spanning staande delen.
  • Waar nodig zorgen voor aarding.
  • Scherm onder spanning staande delen af.
  • Zorg voor geïsoleerde ondergrond.
  • Werk met geïsoleerd gereedschap.
  • Laat de installatie periodiek keuren.

 

Wanneer er werkzaamheden, zoals onderhoud, moeten worden uitgevoerd aan onderspanning staande installaties (zoals machines) moet dit op een veilige wijze gebeuren, namelijk volgende de LoToTo methode. Dit betekent een installatie spanningsloos maken en veiligstellen voordat er aan de installatie wordt gewerkt. Dit gebeurt door de volgende stappen te nemen:

1.         Lock out:

  • Bepaal de energiebronnen van de installatie en hoe deze energiebronnen moeten worden uitgeschakeld.
  • Zorg dat alle werkzaamheden aan de installatie worden gestaakt en informeer werknemers hier over.
  • Stop de installatie volgens de normale stop procedure.
  • Schakel alle energiebronnen van de installatie uit d.m.v. energiecontrolepunten.
  • Maak de installatie vrij van rest/opgeslagen energie.

2.         Tag out:

  • Vergrendel alle energiecontrolepunten met een slot en markeer deze met een label.
  • Voorzie het label van het nummer van de installatie, de datum dat deze uitgeschakeld is en de naam van de betrokkenen/verantwoordelijke.

3.         Try out:

  • Voer een test uit om te zien of de installatie daadwerkelijk uitgeschakeld is en niet ingeschakeld kan worden. Doe dit bijvoorbeeld door te meten met een spanningszoeker.

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 

Er mag alleen aan de elektrische installatie worden gewerkt als er schriftelijke toestemming (aanwijzing) van de installatie verantwoordelijke is afgegeven (VOP: Voldoende Onderricht Persoon of VP: Vakbekwaam Persoon) 

 

  • Beschikbaar hebben van actuele schema’s van de elektrische installatie.
  • Aanwijzen van een installatie- en werkverantwoordelijke (IV, WV).
  • Bevoegd verklaren van uitvoerende werknemers (VOP, VP).
  • Werken conform BEI-BLS.
  • Toezicht houden op het veilig werken.

 

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 

Werknemers de nodige opleidingen en veiligheidsinstructies laten volgen

 

Bij schakelen en testen van onder spanning staande delen, dragen van de nodige PBM’s:

  • Gelaatsscherm
  • Brandvertragende kleding
  • Veiligheidsschoenen
  • E-isolerende handschoenen

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • De gevaren van het werken in de buurt van laagspanning
  • Beheersmaatregelen om veilig te kunnen werken in de buurt van laagspanning.

 

Zorg voor opleiding en instructie conform NEN 3140 van:

  • Installatieverantwoordelijke (IV)
  • Werkverantwoordelijke (WV)
  • Vakbekwaam persoon (VP)
  • Voldoende onderricht persoon (VOP)

 

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Niveau 1 Bronmaatregelen: 
  • Werk met veilige spanning max 120 V gelijkspanning of 50 V wisselspanning.

of

  • Werk met een scheidingstransformator.

of beter

  • Werk met accugereedschap.

 

In besloten ruimten en vochtige omgevingen moeten bovenstaande maatregelen altijd toegepast worden.

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 
  • Sluit elektrisch materieel aan op een verdeelkast met aardlekschakelaars.
  • Gebruik aardlekschakelaar, dubbel geïsoleerd gereedschap.
  • Periodieke keuring van elektrotechnisch materieel en gereedschappen conform NEN 3140. 
  • Bescherm kabels over looppaden en rijbanen tegen beschadiging, door middel van een drempel.

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 
  • Controleer de gereedschappen voor gebruik op beschadigingen.
  • Melden van beschadigingen aan apparatuur.
  • Leg geen haspels en verdeeldozen in het water of de regen.

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 
  • Voer zelf geen reparatiewerkzaamheden uit aan defect gereedschap en kabels.

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • De gevaren van kortsluiting en elektrocutie.
  • Beheersmaatregelen om kortsluiting en elektrocutie te voorkomen.

 

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

Niveau 2 Technische maatregelen: 
  • Gebruik maken van CE-gemakeerde middelen, in een goede staat en gekeurd en onderhouden.
  • Het maximaal vrijdraaiend toerental in combinatie met de maximaal toelaatbare werkdruk is aangegeven op de middelen met een roterende beweging.
  • Zorg dat de aandrijving met perslucht goed is aangesloten op het middel en geborgd is tegen losschieten.
  • Periodieke keuring en onderhoud van machines in overeenstemming met de voorschriften van de fabrikant.

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 
  • Inspecteer de machine voor gebruik, repareer lekkende koppelingen en beschadigde slangen.
  • Werkzaamheden regelmatig afwisselen met werkzaamheden waarbij geen trillingen vrij komen

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 
  • Gehoorbescherming
  • (Trillingsdempende) handschoenen dragen (afhankelijk van duur werkzaamheden)

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • De gevaren van het werken met pneumatisch gereedschap.
  • Beheersmaatregelen om letsel of gehoorschade te voorkomen.

 

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 
  • Leidingen beugelen
  • Juiste montage van slangen
  • Periodieke keuring en onderhoud van machines in overeenstemming met de voorschriften van de fabrikant. 

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 
  • Inspecteer de machine voor gebruik, laat lekkende koppelingen en beschadigde slangen repareren.
  • Voldoende afstand houden.

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 

Bij ontkoppelen van hydraulische apparatuur ten behoeve van onderhoud:

  • Nitril handschoenen
  • Gelaatsscherm

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • De gevaren van hydraulische injectie.
  • Beheersmaatregelen om hydraulische injectie te voorkomen.

 

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Niveau 1 Bronmaatregelen: 
  • Voorkom dat constructiedelen of leidingen op een hoogte van minder dan 2 meter hangen.

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 
  • Beng stootbescherming aan op laag hangende delen.
  • Zorg voor voldoende verlichting van de arbeidsplaats.

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 

Breng signalering aan op plaatsen waar kans bestaat op stoten van het hoofd bijvoorbeeld zwart/geel of rood/wit. 

 

Bij werken op hoogte met hoogwerkers, (inclusief buisrailwagens en monorailwagens):

  • De bediener is verantwoordelijk om er voor te zorgen dat bij het omhoog gaan of verplaatsen, er niemand het hoofd kan stoten tegen delen van de constructie of installatie.
  • Laat je niet afleiden door collega’s wanneer je de hoogwerker bediend. Mocht je tussendoor wat gevraagd worden, stop dan de beweging van de hoogwerker.
  • Laat geen personen onnodig meerijden op de hoogwerker.
  • Bij het verplaatsen van de hoogwerker, breng deze terug in de neutraalstand en stel zeker dat er voldoende ruimte is om obstakels veilig te kunnen passeren.

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 

Maak gebruik van:

  • Helm of stootcap
     
Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • De gevaren van stoten van het hoofd.
  • Beheersmaatregelen om stoten van het hoofd te voorkomen en gevolgen daarvan te beperken.

 

Wet- en regelgeving: 

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Niveau 1 Bronmaatregelen: 
  • Zorg voor een overzichtelijke werkplek.
  • Nooit tussen/onder bewegende voorwerpen staan.

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 
  • Zorg voor afscherming van bewegende voorwerpen.
  • Zorg voor het stabiel opslaan van materialen, stel zeker dat deze niet om kunnen vallen eventueel door het gebruik van stutten of steunen.
  • Zorg dat machines voorzien zijn van sensoren / lichtschermen die aanwezigheid detecteren en vervolgens uitschakelen.
  • Zorg dat machines voorzien zijn van een goed bereikbare noodstop om deze in geval van nood uit te kunnen schakelen. 
  • Schakel in overleg met de opdrachtgever automatisch bewegende machines uit en stel deze veilig middels LoToTo.
  • Zorg dat de schaar van hoogwerkers, buisrailwagens en hefplatforms is afgeschermd of voorzien van beveiliging.
  • Periodieke keuring en onderhoud van machines in overeenstemming met de voorschriften van de fabrikant. 
  • Zorg voor een voldoende verlichte werkplek. 

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 

Bij werken op hoogte met hoogwerkers, (inclusief buisrailwagens en monorailwagens):

  • De bediener is verantwoordelijk om er voor te zorgen dat bij het omhoog gaan of verplaatsen, er niemand bekneld kan raken tussen de hoogwerker en delen van de constructie of installatie.
  • Laat je niet afleiden door collega’s wanneer je de hoogwerker bediend. Mocht je tussendoor wat gevraagd worden, stop dan de beweging van de hoogwerker.
  • Laat geen personen onnodig meerijden op de hoogwerker.
  • Bij het verplaatsen van de hoogwerker, breng deze terug in de neutraalstand en stel zeker dat er voldoende ruimte is om obstakels veilig te kunnen passeren.

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 
  • Werkhandschoenen
  • Veiligheidsschoenen (S3)

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • De gevaren knel en pletgevaar in verschillende situaties
  • Beheersmaatregelen om knel en pletgevaar te voorkomen.

 

De bediener van een hoogwerker (inclusief buisrailwagens en monorailwagens) beschikt over aantoonbare deskundigheid en praktijktraining.

 

Onderhoud aan machines wordt uitgevoerd door deskundige medewerkers.

 

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Niveau 1 Bronmaatregelen: 
  • Scheiding werkplek, looproutes en transportpaden

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 
  • Markering veilige looproutes.
  • Markering van verkeerswegen voor zover de projectlocatie dat toelaat met goed zichtbare strepen.
  • Bij het achteruit rijden moet het voertuig een geluidsignaal geven.

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 
  • Voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden vindt afstemming plaats tussen bestuurders en medewerkers te voet.
  • Bestuurders van mobiele werktuigen zijn extra alert op de positie van medewerkers die helpen bij het uitvoeren van de werkzaamheden.
  • Werknemers en derden te voet hebben te allen tijde voorrang boven mobiele werktuigen.
  • Werknemers en derden te voet maken pas van het voorrangsrecht gebruik als zij hebben zeker gesteld dat de bestuurder van het mobiele werktuig ze heeft opgemerkt.

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 
  • Veiligheidsschoenen (type S3)
  • Signaalkleding, bij voorkeur oranje

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • De gevaren van aanrijding door mobiele werktuigen op de projectlocatie.
  • Beheersmaatregelen om aanrijding te voorkomen.

 

Bestuurders van mobiele werktuigen beschikken over:

  • Specifieke deskundigheid voor het bedienen van het mobiele werktuig.

 

Abonneren op RSS - Arbobesluit Artikel 7.17b Uitrusting mobiele arbeidsmiddelen met eigen aandrijving