Arbobesluit Artikel 7.23c Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van toegangs- en positioneringstechnieken met lijnen

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Niveau 1 Bronmaatregelen: 
  • Voorkom werken op hoogte > 2,5m of in de buurt van de dakrand.
  • Bij werkzaamheden waar valgevaar bestaat heeft het de voorkeur om de werkzaamheden uit te voeren door toepassing van een veilige steiger, bordes of werkvloer. 

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 

Wanneer op daken gewerkt wordt hoger dan 2,5 meter, gelden de regels bij werken op hoogte: 

  • Er moet op 4m afstand van de rand worden gewerkt en de 4m grens moet worden gemarkeerd
  • Materiaal moet 4m van de rand worden geplaatst.

of

  • Er kan tot op 2 meter van de dakrand gewerkt worden indien er een fysieke afzetting is geplaatst op 2 meter van de dakrand, bijvoorbeeld door paaltjes met een ketting of linten.
  • Materiaal moet 4m van de rand worden geplaatst.

of

  • Er moet randbeveiliging/ een leuning worden geplaatst met een hoogte van 1 meter en halverwege een tussenleuning, inclusief schoprand aan de onderzijde als er kans is op vallen van materiaal. (bij een hoogte van meer dan 13 meter heeft de leuning een hoogte van 1,2 meter.) 

 

Indien bovenstaande niet mogelijk is, kunnen als alternatief voldoende grote en sterke vangnetten worden aangebracht. 

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 
  • Wanneer gewerkt wordt op daken door gebruik van harnasgordels zorg dan dat er een tweede persoon aanwezig is om hulp in te roepen en te beiden in geval van nood.
  • Zorg dat de Bedrijfshulpverlening op de projectlocatie georganiseerd is.

 

Bij windkracht 6:

  • Een maximale werkhoogte van 10 meter.

 

Bij windkracht 7 (krachtige wind) of hoger:

  • Mag er gewerkt worden tot op een maximale werkhoogte van 3 meter.

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 
  • Controleer voor aanvang van de werkzaamheden of de beveiliging in goede staat verkeert.
  • Haal geen delen van de beveiliging weg (ook niet tijdelijk)

 

  • Wanneer bovenstaande maatregelen niet mogelijk zijn maar er wel in de buurt van de dakrand gewerkt moet worden, moet er gebruik gemaakt worden van persoonlijke valbeveiliging. Bestaande uit een harnasgordel en een vanglijn, die bevestigd wordt aan een voldoende sterk ankerpunt. Bij het gebruik van een harnasgordel dient tevens een Suspension Trauma Releef Strap gebruikt te worden.

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • De gevaren van het werken op daken.
  • Beheersmaatregelen om vallen bij het werken op daken te voorkomen.
  • Het veilig gebruik van harnasgordel, vanglijn en Suspension Trauma Releef Strap.

 

Abonneren op RSS - Arbobesluit Artikel 7.23c Specifieke bepalingen betreffende het gebruik van toegangs- en positioneringstechnieken met lijnen