Arbobesluit Artikel 7. 4 Deugdelijkheid arbeidsmiddelen en ongewilde gebeurtenissen

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

Aan wettelijke verplichtingen aangegeven met    moet altijd worden voldaan.

 

Niveau 1 Bronmaatregelen: 
  • Zorg voor een overzichtelijke werkplek.
  • Nooit tussen/onder bewegende voorwerpen staan.

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 
  • Zorg voor afscherming van bewegende voorwerpen.
  • Zorg voor het stabiel opslaan van materialen, stel zeker dat deze niet om kunnen vallen eventueel door het gebruik van stutten of steunen.
  • Zorg dat machines voorzien zijn van sensoren / lichtschermen die aanwezigheid detecteren en vervolgens uitschakelen.
  • Zorg dat machines voorzien zijn van een goed bereikbare noodstop om deze in geval van nood uit te kunnen schakelen. 
  • Schakel in overleg met de opdrachtgever automatisch bewegende machines uit en stel deze veilig middels LoToTo.
  • Zorg dat de schaar van hoogwerkers, buisrailwagens en hefplatforms is afgeschermd of voorzien van beveiliging.
  • Periodieke keuring en onderhoud van machines in overeenstemming met de voorschriften van de fabrikant. 
  • Zorg voor een voldoende verlichte werkplek. 

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 

Bij werken op hoogte met hoogwerkers, (inclusief buisrailwagens en monorailwagens):

  • De bediener is verantwoordelijk om er voor te zorgen dat bij het omhoog gaan of verplaatsen, er niemand bekneld kan raken tussen de hoogwerker en delen van de constructie of installatie.
  • Laat je niet afleiden door collega’s wanneer je de hoogwerker bediend. Mocht je tussendoor wat gevraagd worden, stop dan de beweging van de hoogwerker.
  • Laat geen personen onnodig meerijden op de hoogwerker.
  • Bij het verplaatsen van de hoogwerker, breng deze terug in de neutraalstand en stel zeker dat er voldoende ruimte is om obstakels veilig te kunnen passeren.

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 
  • Werkhandschoenen
  • Veiligheidsschoenen (S3)

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • De gevaren knel en pletgevaar in verschillende situaties
  • Beheersmaatregelen om knel en pletgevaar te voorkomen.

 

De bediener van een hoogwerker (inclusief buisrailwagens en monorailwagens) beschikt over aantoonbare deskundigheid en praktijktraining.

 

Onderhoud aan machines wordt uitgevoerd door deskundige medewerkers.

 

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

Aan wettelijke verplichtingen aangegeven met    moet altijd worden voldaan.

 

Niveau 1 Bronmaatregelen: 
  • Werk nooit op een werkplek bij of in de directe omgeving van een automatische installatie die nog in bedrijf is.
  • Werk nooit in het werkgebied van automatische transportsystemen.
  • Stem met de opdrachtgever af over de uitschakeling en het veilig stellen van automatisch werkende machines (LoToTo). 

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 
  • Zorg ervoor dat de machine niet kan worden ingeschakeld tijdens de werkzaamheden door het plaatsen van een hangslot en gevarenkaart op de werkschakelaar van de installatie (toepassen van LoToTo).
  • Zet de omgeving af met hekken, linten of pylonnen indien gewerkt wordt nabij plaatsen waar andere mensen letsel kunnen oplopen als gevolg van jouw werkzaamheden.
  • Afscherming van automatisch werkende machines. 
  • Automatische machines en transportsystemen zijn voorzien van benaderingsschakelaars/ lichtschermen waardoor deze automatisch stoppen.
  • Automatische transportsystemen uitrusten met een geluidssignaal als deze gaan bewegen. 
  • De automatisch werkende machine is voorzien van een noodstopvoorziening waarmee de machine stop gezet kan worden. 

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 
  • Zorg dat je de mensen in de omgeving informeert wat je gaat doen.

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 
  • De optische sensoren dienen als beveiligingsmiddel. Gebruik deze sensoren niet om tijdens het normale gebruik het voertuig te stoppen.
  • Blijf weg uit de ruimte tussen de railbuisbanen, containerrollenbanen, lieren, afduwers of andere bewegende componenten wanneer het systeem in bedrijf is.
  • Blijf weg uit de ruimten waarvoor je niet bevoegd bent, aangegeven met een hekwerk of andere signalering.
  • Draag veiligheidsschoenen (type S3)

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • De gevaren van automatisch werkende machines op de projectlocatie.
  • Beheersmaatregelen om letsel te voorkomen.

 

Alleen medewerkers die beschikken over de juiste aantoonbare deskundigheid mogen service en onderhoudswerkzaamheden aan deze machines uitvoeren.

 

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

Aan wettelijke verplichtingen aangegeven met    moet altijd worden voldaan.

 

Niveau 1 Bronmaatregelen: 
  • Bekijk of er een alternatieve methode is om werkzaamheden met risico op brand zoals lassen, branden of gebruik brandbare stoffen uit te voeren. Bijvoorbeeld toepassen van knelkoppelingen in plaats van solderen of PVC lijmen.
  • Voorkom de combinatie brandbare stof en ontbrandingstemperatuur.
  • Brandbare gevaarlijke stoffen niet gebruiken als er hittebronnen in de buurt zijn.

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 
  • Het afschermen/verplaatsen van brandbare stoffen, zoals het wegzetten van kartonnen dozen tijdens het lassen.
  • Het plaatsen van schermen tijdens het lassen/slijpen/ bij andere werkzaamheden waar vonken vanaf komen.
  • Zorg voor voldoende afzuiging/ventilatie in omgevingen waar brandbare stoffen kunnen vrijkomen. 
  • Zorg voor opslagvoorzieningen voor verpakte brandbare stoffen conform PGS-15. 
  • Het keuren van machines/gereedschap/installaties waarbij gevaar is voor kortsluiting. 

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 

Wanneer brandgevaarlijke werkzaamheden uitgevoerd gaan worden in een omgeving die gevoelig is voor brandgevaar, zorg voor:

  • Aanwezigheid van blusmiddelen. 
  • Dat er na afronding van de werkzaamheden voor het verlaten van de projectlocatie een nacontrole plaatsvindt om zeker te stellen dat er geen smeulende resten zijn achtergebleven.
  • Zorg voor het opruimen van de werkplek en het opslaan van brandgevaarlijke materialen in de daarvoor bestemde opslagvoorzieningen. 
  • Zorg dat de Bedrijfshulpverlening op de projectlocatie georganiseerd is. 
  • Zorg voor de aanwezigheid van een alarmkaart zodat in geval van nood duidelijk is op welke wijze opgeschaald kan worden.
  • Inrichten van een verzamelplaats op de projectlocatie. 

Typen toe te passen blusmiddelen zijn:

	Brandklasse 	A	B	C	D	F 	Vaste stoffen (hout, papier, textiel etc)	Vloeistoffen (olie, benzine, diesel, ontvetter, verf etc.)	Gassen (butaan, propaan, aardgas, etc.)	Metalen (magnesium, aluminium, natrium etc.) 	Oliën en vetten (frituurvet e.d.) Type Blusmiddel	Water	V	X	X	X	X 	Schuim	V	V	X	X	V 	Poeder	V	V	V	X	X 	CO2	X	V	X	V	V

Bij het blussen van een elektrische installatie dient deze eerst spanningsloos gemaakt te worden, alvorens met blussen gestart kan worden.

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 

Bij het uitvoeren van brandgevaarlijke werkzaamheden kunnen werknemers beschikken over de volgende persoonlijke beschermingsmiddelen:

  • Brandvertragende kleding
  • Brandvertragende handschoenen

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • De gevaren brandgevaar.
  • Beheersmaatregelen om het ontstaan van brand te voorkomen.
  • Te nemen maatregelen bij het ontstaan van brand.
  • Hoe de bedrijfsnoodorganisatie op de projectlocatie georganiseerd is.

 

Bedrijfshulpverleners ontvangen een passende training om:

  • Het verlenen van eerste hulp bij ongevallen.
  • Het beperken en bestrijden van een brand en de gevolgen daarvan.
  • Het in noodsituaties alarmeren en evacueren van werknemers en derden van de projectlocatie.

 

Pagina's

Abonneren op RSS - Arbobesluit Artikel 7. 4 Deugdelijkheid arbeidsmiddelen en ongewilde gebeurtenissen