Arbobesluit Artikel 3. 4 Elektrische installatie

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Niveau 1 Bronmaatregelen: 
  • Bekijk of er een alternatieve methode is om werkzaamheden met risico op brand zoals lassen, branden of gebruik brandbare stoffen uit te voeren. Bijvoorbeeld toepassen van knelkoppelingen in plaats van solderen of PVC lijmen.
  • Voorkom de combinatie brandbare stof en ontbrandingstemperatuur.
  • Brandbare gevaarlijke stoffen niet gebruiken als er hittebronnen in de buurt zijn.

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 
  • Het afschermen/verplaatsen van brandbare stoffen, zoals het wegzetten van kartonnen dozen tijdens het lassen.
  • Het plaatsen van schermen tijdens het lassen/slijpen/ bij andere werkzaamheden waar vonken vanaf komen.
  • Zorg voor voldoende afzuiging/ventilatie in omgevingen waar brandbare stoffen kunnen vrijkomen. 
  • Zorg voor opslagvoorzieningen voor verpakte brandbare stoffen conform PGS-15. 
  • Het keuren van machines/gereedschap/installaties waarbij gevaar is voor kortsluiting. 

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 

Wanneer brandgevaarlijke werkzaamheden uitgevoerd gaan worden in een omgeving die gevoelig is voor brandgevaar, zorg voor:

  • Aanwezigheid van blusmiddelen. 
  • Dat er na afronding van de werkzaamheden voor het verlaten van de projectlocatie een nacontrole plaatsvindt om zeker te stellen dat er geen smeulende resten zijn achtergebleven.
  • Zorg voor het opruimen van de werkplek en het opslaan van brandgevaarlijke materialen in de daarvoor bestemde opslagvoorzieningen. 
  • Zorg dat de Bedrijfshulpverlening op de projectlocatie georganiseerd is. 
  • Zorg voor de aanwezigheid van een alarmkaart zodat in geval van nood duidelijk is op welke wijze opgeschaald kan worden.
  • Inrichten van een verzamelplaats op de projectlocatie. 

Typen toe te passen blusmiddelen zijn:

	Brandklasse 	A	B	C	D	F 	Vaste stoffen (hout, papier, textiel etc)	Vloeistoffen (olie, benzine, diesel, ontvetter, verf etc.)	Gassen (butaan, propaan, aardgas, etc.)	Metalen (magnesium, aluminium, natrium etc.) 	Oliën en vetten (frituurvet e.d.) Type Blusmiddel	Water	V	X	X	X	X 	Schuim	V	V	X	X	V 	Poeder	V	V	V	X	X 	CO2	X	V	X	V	V

Bij het blussen van een elektrische installatie dient deze eerst spanningsloos gemaakt te worden, alvorens met blussen gestart kan worden.

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 

Bij het uitvoeren van brandgevaarlijke werkzaamheden kunnen werknemers beschikken over de volgende persoonlijke beschermingsmiddelen:

  • Brandvertragende kleding
  • Brandvertragende handschoenen

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever informeert de werknemers over:

  • De gevaren brandgevaar.
  • Beheersmaatregelen om het ontstaan van brand te voorkomen.
  • Te nemen maatregelen bij het ontstaan van brand.
  • Hoe de bedrijfsnoodorganisatie op de projectlocatie georganiseerd is.

 

Bedrijfshulpverleners ontvangen een passende training om:

  • Het verlenen van eerste hulp bij ongevallen.
  • Het beperken en bestrijden van een brand en de gevolgen daarvan.
  • Het in noodsituaties alarmeren en evacueren van werknemers en derden van de projectlocatie.

 

Abonneren op RSS - Arbobesluit Artikel 3. 4 Elektrische installatie