SER Zoek een grenswaarde

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

Niveau 1 Bronmaatregelen: 
  • Vervangen van kankerverwekkende stoffen, door veiliger alternatieven.
  • Verdiepende RI&E gevaarlijke stoffen. 

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 
  • Afzuiging
  • Afscherming
  • Voer bij twijfel metingen uit om de mogelijke blootstelling vast te stellen.

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 

De werkgever houdt een register bij met: 

  • CMR-stoffen waaraan werknemers blootgesteld worden.
  • Werknemers die blootgesteld (kunnen) worden aan CMR-stoffen, onder vermelding van de blootstelling die zij kunnen ondergaan.

 

Iedere werknemer die wordt of kan worden blootgesteld aan CMR-stoffen wordt in de gelegenheid gesteld om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek (PAGO) te ondergaan: 

  • Vóór de aanvang van de blootstelling.
  • Wanneer blootstellig heeft plaatsgevonden.

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 

Afhankelijk van het type stof, overeenkomstig het veiligheidsinformatieblad:

  • Beschermende kleding
  • Handschoenen
  • (onafhankelijke) Adembescherming
  • Veiligheidsbril

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever instrueert werknemers om de werkzaamheden te stoppen bij het constateren dat een van de stoffen waarmee gewerkt wordt een CMR stof is. Dit te melden bij de leidinggevende en de werkzaamheden pas te hervatten als dit op een veilige wijze kan.

 

Overeenkomstig de arbeidshygiënische strategie, gelden de volgende beheersmaatregelen:

Gevaren moeten altijd bij de bron  worden aangepakt (niveau 1). Pas als dat niet mogelijk of niet voldoende is, worden aanvullende maatregelen genomen gericht op collectieve bescherming, technische maatregelen (niveau 2) en organisatorische maatregelen (niveau 3). Als dat nog steeds niet voldoende bescherming biedt, volgen maatregelen gericht op individuele bescherming (niveau 4) met als laatste stap het verstrekken van doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Niveau 1 Bronmaatregelen: 
  • Beoordeel of er andere technieken mogelijk zijn, voor het maken van verbindingen. In plaats van het gebruik van PVC-lijm kunnen veel verbindingen in bovengrondse leidingen en leidingen waarin vloeistoffen onder atmosferische druk worden getransporteerd, uitgevoerd worden met knelkoppelingen of schuifmoffen.
  • Voor het schilderen kan gebruik gemaakt worden van verfproducten met een laag oplosmiddelengehalte zoals: watergedragen verf of acrylaatverf (minder dan 10% oplosmiddel), of 2-componenten epoxyverf.
  • Het gebruik van producten waarvan het gehalte aan benzeen meer dan 1 volumeprocent bedraagt als oplossings-, reinigings- of verdunningsmiddel is niet toegestaan. (uitgezonderd toepassing in gesloten systemen)

 

Niveau 2 Technische maatregelen: 
  • Verwerk de producten in een voldoende geventileerde ruimte, deuren en of luchtramen geopend.
  • Als dat niet mogelijk is, moet gezorgd worden voor afzuiging van de dampen.
  • Voer bij twijfel aan de concentratie metingen uit.

 

Niveau 3 Organisatorische maatregelen: 
  • Werknemers die niet noodzakelijk zijn bij de uitvoering van de werkzaamheden niet in de buurt of in dezelfde ruimte als waar de lijm of verfwerkzaamheden uitgevoerd worden aanwezig laten zijn.
  • Hou er rekening mee dat ook na het aanbrengen van verfproducten deze nog enige tijd uitdampen, dus dat er nog steeds een hoge concentratie oplosmiddelen aanwezig kan zijn.
  • Beperk de blootstellingsduur door afwisseling van werkzaamheden.

 

Iedere werknemer die wordt of kan worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen waarvoor een biologische grenswaarde is vastgesteld, moet in de gelegenheid worden gesteld om een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan: 

  • Vóór de aanvang van de blootstelling.
  • Bij het overschrijden van de biologische grenswaarde.

 

Niveau 4 Individuele maatregelen en PBM: 
  • Gebruik adembescherming  met juiste type gasfilter (A, B, E of C).
  • Bij hoge concentraties of in besloten ruimtes onafhankelijke adembescherming gebruiken.
  • Gebruik bij verwerking van oplosmiddelhoudende producten, oplosmiddelenbestendige handschoenen.
  • Bij kans op spatten in ogen: draag ruimzichtbril.

 

Verplichte opleiding en instructie: 

De werkgever geeft voorlichting over:

  • De gevaren verbonden aan de blootstelling aan gevaarlijke gassen en dampen.
  • De noodzakelijke beheersmaatregelen om blootstelling te beperken of voorkomen.
  • De toepassing van het juiste gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Bij het gebruik van een persluchtmasker, heeft de werknemer ook:

  • Een training gevolgd voor het gebruik van persluchtmaskers.
  • Een keuring op medische geschiktheid voor het gebruik van persluchtmaskers

 

Abonneren op RSS - SER Zoek een grenswaarde